Treinpijn, snurkende mannen en een zonsopgang

11 okt

“Nothing is more beautifull than the loveliness of the woods before sunrise”

– George Washington Carver

Zomaar een ochtend in de trein. Voor het eerst in tijden geniet ik weer van de zonsopgang. De coupe is rustig en zelfs de man naast mij, die met zijn rechterbil half op mijn schoot zit en bij elke bocht die de trein neemt met zijn hoofd op mijn schouder dreigt te vallen stoort me niet. Hij knort zacht, als een varken en een kort moment dwaalt mijn gedachten toch af; Zou hij nou een voorbeeld zijn van het gezegde “een huisdier lijkt op zijn baasje”? En heeft hij dan een vette buldog in huis? Of wacht er ergens in een tuintje een luid knorrend biggetje op hem?

Ik merk aan mijn loze verzinsels dat het weer eens veel te vroeg is. Terug naar de zonsopgang.
Stralen zon piepen achter grote wolkenmassa’s vandaan en laten hun licht schijnen op de wereld die langzaam wakker wordt. Een hemels paradijs voor schilders en fotograven, zelfs de file van auto’s op de snelweg staat er schilderachtig bij. Puur geluk als je het mij vraagt, ’s ochtends vroeg in de trein, met het zachte zuchten van medereizigers en het langzaam schudden van de wagon, kijkend naar de zonsopgang.
Veel te vroeg naar mijn zin wordt dit moment onderbroken. We rijden nog maar net de stad binnen als de lucht betrekt en er ineens dikke regendruppels op het raam vallen. Tot zover de hoop op een droge en mooie dag. Tot zo ver de hoop op een goed humeur. Met het vertrek van de laatste zonnestralen vliegt ook de somberheid mij weer naar de keel. En dan verschijnt er ook nog eens een conductrice met een kort en donker kapsel, strenge ogen en strenge bril.
Terwijl ik angstig naar mijn vervoersbewijs zoek beginnen de regendruppels steeds harder tegen de ramen te slaan. Verschrikkelijk. De varkensman lijkt ineens niet meer zo verdraagbaar en ik trek ruw aan de zoom van mijn jas in de hoop dat hij wakker schrikt en nu eindelijk eens ophoud met het imiteren van zijn huisdier. Mijn been begint nu ernstig te slapen en ik hoop, nee bid dat we er bijna zijn.
Als dezelfde snerpende vrouwenstem eindelijk omroept dat de trein zijn bestemming bereikt heeft kan ik niets anders dan haastig mijn tas en andere spullen bij een te graaien en te vluchten. Bij voorbij gaan merk ik op dat de varkensman neusgaten zo groot als maankraters heeft en dat zijn neus een klein beetje recht op staat en platgedrukt is. Het zou toch niet dat die gezegde dan toch waar is? Van schrik stap ik bijna tussen het afstapje en het perron.
‘Op wie zou ik dan lijken?’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: